Een hyperglycemie bij diabetes is wanneer jouw bloedsuikerwaarde te hoog is (hoger dan 180 mg/dl). Hoe herken en ga je om met een hyper en hoe voorkom je het? 

Synoniemen

hyper

Variant Volwassenen/Kinderen

Praktisch

Maak een afspraak

Kinderdiabetes

Niet beschikbaar
Route 26
Wat is hyperglycemie?

Wat is hyperglycemie?

We spreken van hyperglycemie – of kortweg een hyper – wanneer je bloedsuikerwaarde hoger is dan 180 mg/dl. Meestal merk je daar zelf niet al te veel van. Je kan wel veel dorst hebben, veel moeten plassen, jezelf moe voelen of meer moeite hebben bij het concentreren. 

 

Een hyper kent verschillende oorzaken: 

 

  • Een tekort aan insuline door: 

    • Je hebt meer gegeten dan berekend.

    • Je bent insuline vergeten.

    • Je te weinig insuline hebt berekend en gegeven.

    • Een kapotte insuline vulling. 

    • Een naaldprobleem. 

    • Je hebt te weinig gebolust voor het aantal koolhydraten.
    • Door een probleem met jouw pomp of infusiesetje/POD.
       
  • Een tekort aan insuline door te weinig beweging:

    • Je deed een reductie om te sporten, maar bent uiteindelijk niet gaan sporten. 

    • Je hebt een langere periode minder bewogen, door bijvoorbeeld een vakantie. 

  • Een tekort aan insuline door ziekte of medicatie. 

  • Een tekort aan insuline door stress. 

Wat is hyperglycemie?
© Novo Nordisk

Waarom best hyperglycemie voorkomen?

Het is belangrijk om jouw bloedsuiker zo goed mogelijk onder controle te houden, omdat langdurig hoge bloedsuikerwaarden op lange termijn schade kunnen veroorzaken aan jouw bloedvaten. 

  • Hart- en vaatziekten (cardiovasculair)

  • Nierproblemen (nefrologie)

  • Oogproblemen (retinopathie)

  • Problemen met de zenuwuiteinden van bijvoorbeeld jouw voeten (neuropathie)

Op korte termijn is er een grotere kans op ketoacidose. 

Een hyper bij insulinepomp

Wat te doen bij een hyper met een insulinepomp?

Op korte termijn

Wanneer je gebruik maakt van een insulinepomp moet je steeds snel reageren op hoge waarden. Het is heel belangrijk om te controleren of het probleem niet aan jouw pomp of infusiesetje/reservoir/POD ligt. Indien dit zo is, moet dit probleem zo snel mogelijk worden opgelost.

Je kan de pomp al vanaf 100 mg/dl (zoals geprogrammeerd in jouw pomp) extra insuline laten geven. De pomp doet dit ook veilig en houdt rekening met de actieve insuline.

Let erop dat je: 
 

  • Voldoende water drinkt.
  • Een correctiebolus geeft met de pomp:
    • Geef de insuline tijd om te werken. Pas één uur na de bolus zie je een effect op jouw bloedsuikerwaarde.
    • Bij extreem hoge waarden kan je werken met een tijdelijk basaal van 120% / pijl omhoog 20% voor 2 uur.
  • Herhaal de correctiebolus na 1 uur.

 

Wanneer de correctiebolus na twee uur geen effect heeft, vervang je het infusiesetje: 

  • Als jouw waarden doorstijgen na een correctiebolus.
  • Als er drie uur na de correctiebolus nog steeds geen daling van bloedsuikerwaarde is.
  • Als je jezelf misselijk voelt of moet braken, dan volg je de flowchart ‘ziekte en ketonen’ (hyperlink).
  • Indien nodig dien je insuline toe met een insulinepen (hyperlink).

Ook voor het slapengaan is het belangrijk om steeds te corrigeren. Breng elke avond jouw waarde in de pomp in zodat die niet heel de nacht hoog staat. 
 

Op lange termijn

Merk je op dat jouw waarden enkele dagen/weken hoger zijn, terwijl je telkens goed bolust en corrigeert? Dan is het tijd om de instellingen van jouw pomp aan te passen. Neem daarvoor contact op met het diabetesteam. 

Een hyper bij insulinepen

Wat te doen bij een hyper met een insulinepen?

Correctieschema

Correctieschema bij een hyper

Tussendoor insuline bijspuiten kan en mag niet. Je mag enkel bij de hoofdmaaltijden (ontbijt, middagmaal, 16uuurtje en avondmaal) jouw bloedsuikerwaarde ‘corrigeren’. Dit betekent dat je extra insuline geeft als je bloedsuikerwaarde te hoog is.

 

Voor elke maaltijd streven we altijd naar een bloedsuikerwaarde < 100 mg/dl. Afhankelijk van jouw gevoeligheid voor insuline – hoe jouw lichaam reageert op 1 eenheid insuline – krijg je van ons een correctieschema. Dit schema geeft weer hoeveel eenheden insuline je extra moet inspuiten om jouw glycemie tegen de volgende maaltijd te doen dalen naar 100 mg/dl of lager. 

Voorbeeld van een correctieschema

Dit correctieschema is 1/40. Dit betekent dat je bij een bloedsuikerwaarde van 140 mg/dl 1 eenheid insuline extra nodig hebt om jouw bloedsuikerwaarde tegen de volgende maaltijd te doen dalen naar 100 mg/dl of lager. 

 

Doordat jouw pen met 0,5 eenheden (E) werkt, kunnen we al vanaf 120 mg/dl een halve eenheid bijspuiten of ‘corrigeren’.

 

Correctieschema 1/40

naar 100 (overdag)

> 1200,5 E> 280 4,5 E
> 1401 E> 3005 E
> 1601,5 E> 3205,5 E
> 1802 E> 3406 E
> 200 2,5 E> 3606,5 E
> 2203 E> 3807 E
> 2403,5 E> 4007,5 E
> 260 4 E> 4208 E

Voor het slapengaan corrigeer je wat milder, zodat je tijdens de nacht geen kans hebt op een hypo. Ook wanneer er twee maaltijden kort na elkaar vallen, moet je voorzichtig zijn met corrigeren want er is nog maaltijdinsuline actief. 

 

Voor het slapen, corrigeer je naar 150. Het correctieschema in het voorbeeld hieronder werkt nog steeds met 1E per 40 mg/dl te hoog, maar zal dus corrigeren naar 150 i.p.v. naar 100. 

 

We spreken ook wel van een ‘straf’ (bovenste) en ‘slap’ (onderste) schema. 

 

Naar 150 (avond / 2u na maaltijdinsuline)

> 1700,5 E> 3304,5 E
> 1901 E> 3505 E
> 2101,5 E> 3705,5 E
> 2302 E> 3906 E
> 2502,5 E > 4106,5 E
> 2703 E> 4307 E
> 290 3,5 E> 4507,5 E
> 3104 E> 4708 E

Opgelet ketonen!

Staan jouw waarden langer dan 4u > 250 mg/dl? Voel je jezelf tegelijk ziek of heb je last van misselijkheid, buikpijn, hoofdpijn of braken? Dan is er een kans dat je ketonen hebt. In die situatie is het belangrijk dat je snel handelt. 

Team

Onze zorgverleners staan voor je klaar

Hieronder vind je een overzicht van de zorgverleners die deel uitmaken van ons team en hun specifieke rol in de behandeling en ondersteuning van onze patiënten.

Artsen

Consulenten en geassocieerde artsen

Administratieve medewerkers

Verpleegkundigen

Paramedici

Psychologen

Sociale dienst