Pancreaskanker (alvleesklierkanker)

Wat is pancreaskanker (alvleesklierkanker)? 

De pancreas of alvleesklier is een orgaan dat sappen aanmaakt voor de spijsvertering en hormonen produceert. Pancreaskanker ontstaat doordat de cellen in de pancreas zich ongecontroleerd vermenigvuldigen en een kwaadaardig gezwel vormen. 

Elk jaar krijgen in België ongeveer 1150 personen de diagnose van pancreaskanker. De ziekte komt ongeveer even frequent voor bij mannen als bij vrouwen in België. Bij de leeftijdsgroepen boven de 60 jaar komt pancreaskanker het meeste voor. De meest voorkomende vorm van pancreaskanker ontstaat in de lobjes die spijsverteringsenzymen produceren. 

Welke soorten pancreaskanker (alvleesklierkanker) bestaan er?

Tumoren van de pancreaslobjes (adenocarcinoom)

De meest voorkomende vorm van pancreaskanker ontstaat in de pancreaslobjes die spijsverteringsenzymen produceren. We spreken dan van een adenocarcinoom.

  • In twee derde van de gevallen ontstaat de tumor in de pancreaskop (pancreaskopcarcinoom).
  • In één derde van de gevallen ontstaat de tumor in het pancreaslichaam of de pancreasstaart.

We spreken specifiek over een periampullaire tumor als de tumor ontstaat:

  • in de zone dicht bij de twaalfvingerige darm (duodenum) 
  • ter hoogte van de papil van Vater (waar galweg en pancreasgang in de twaalfvingerige darm uitmonden)

Tumoren die ontstaan in cellen die voornamelijk hormonen produceren (neuro-endocriene tumoren of NET)

Tumoren die ontstaan in cellen die voornamelijk hormonen produceren (neuro-endocriene tumoren) zijn veel zeldzamer dan het adenocarcinoom (tumoren van de pancreaslobjes) en ontwikkelen ook minder agressief. 

Wat zijn de klachten en symptomen bij pancreaskanker (alvleesklierkanker)?

Vaak is de pancreastumor al enige tijd aanwezig voor iemand er iets van merkt. De klachten hangen samen met de plaats waar de tumor ontstaat en de grootte van de tumor. 

De meest voorkomende klachten zijn:

  • minder eetlust
  • misselijkheid
  • zeurende pijn in de bovenbuik of in de rug
  • verstoord ontlastingspatroon als gevolg van een operatie 
  • gewichtsverlies

Als de tumor in de pancreaskop zit en daar de galweg dichtdrukt, kan ook geelzucht optreden. De symptomen bij geelzucht zijn:

  • Licht gekleurde ontlasting
  • Donkere urine
  • Verkleurd oogwit (eerste stadium)
  • Erge jeuk (later stadium)
  • Vetdiarree of steatoree (verstoorde vetvertering kan optreden als de tumor de afvoergang van de pancreas dichtdrukt, waardoor de spijsverteringssappen niet in de twaalfvingerige darm terechtkomen)

Hoe wordt de diagnose van pancreaskanker (alvleesklierkanker) gesteld?

Als u bovenstaande symptomen ervaart, neemt u best zo snel mogelijk contact op met uw huisarts. Hij zal een lichamelijk onderzoek en een bloedanalyse uitvoeren. Als uw huisarts pancreaskanker vermoedt, verwijst hij u door naar een specialist. De specialist zal uitgebreid onderzoek doen om de diagnose te stellen en de tumor in kaart te brengen. Zowel de lokale uitbreiding (doorgroei) als eventuele uitzaaiingen op afstand (metastasen) zijn van belang voor de behandeling en kans op genezing.

Afhankelijk van de resultaten zijn onderstaande onderzoeken mogelijk:

  • Echografie: eenvoudig, niet-belastend onderzoek met gel en geluidsgolven waarmee we de alvleesklier en tumor in beeld kunnen brengen. De arts bekijkt ook de lever om eventuele uitzaaiingen van een pancreaskanker op te sporen. Het is belangrijk dat u nuchter bent om dit onderzoek te laten uitvoeren. Omdat de alvleesklier zich achteraan in de bovenbuik net voor de wervelkolom bevindt en er soms lucht zit in de darmen, kan het soms moeilijk zijn om de alvleesklier in beeld te brengen.
  • CT-scan: onderzoek waarbij we via röntgenstralen de bovenbuik doorlichten om de pancreas (alvleesklier) en omliggende organen in detail in beeld te brengen. Van boven naar beneden maken we een heleboel fotografische sneden doorheen de bovenbuik om een goed beeld te krijgen van de tumor. De CT-scan brengt ook de relatie van de tumor met de omgevende organen en bloedvaten, en eventuele uitzaaiingen in lymfeklieren of lever in beeld. Soms moet u vooraf een contrastvloeistof drinken, daarnaast wordt altijd een contrastvloeistof via infuus in de bloedbaan ingebracht tijdens dit onderzoek. Vertoonde u in het verleden allergische reacties, meld dit zeker aan de radioloog. Ook als uw nierfunctie beperkt is, moet u dit aan de arts melden. De contraststof kan een effect hebben op de nieren. Naast de CT-scan van de bovenbuik, maken we meestal een CT-scan van de borstkast om eventuele uitzaaiingen op te sporen.
  • MRI-scan: een MRI (Magnetic Resonance Imaging) of NMR (Nuclear Magnetic Resonance) is vergelijkbaar met de CT-scan. We spuiten contrastvloeistof in en maken verschillende fotografische sneden door het bovenlichaam om een goed beeld te krijgen van de tumor. In tegenstelling tot bij de CT-scan, gebruiken we bij een MRI geen röntgenstralen om de dwarsdoorsneden te creëren, maar een magnetisch veld en radiogolven. Soms maken we ook een MRCP om een afdruk van de galweg en de pancreas afvoergang te krijgen. Een MRI-scan duurt meestal iets langer dan een CT-scan. Bovendien wordt de patiënt helemaal in een onderzoekskoker ingebracht. Voor mensen met claustrofobie is dit onderzoek soms niet mogelijk. Patiënten met een metalen implantaat (pacemaker, heupprothese, fixator van fracturen, cochleair implantaat…) moeten dit melden aan de radioloog voor het onderzoek. Deze implantaten kunnen een MRI-onderzoek bemoeilijken of onmogelijk maken. 
  • Echo-endoscopie: bij dit onderzoek maken we gebruik van een endoscopische echoprobe, een flexibele buis die via de mond tot in de maag of twaalfvingerige darm wordt gebracht. De echoprobe op de top van het apparaat zendt geluidsgolven uit om een afbeelding van de pancreas en omgevende weefsels te krijgen van binnenuit. Dit onderzoek wordt meestal uitgevoerd om te bekijken hoe ver de tumor doorgegroeid is naar omgevende weefsel en bloedvaten in de buurt van de pancreas. Met deze techniek wordt soms ook een biopsie of weefselaspiraat uitgevoerd om de kenmerken van de tumor beter te onderzoeken.
  • ERCP: een ander endoscopisch onderzoek waarbij een endoscoop via de mond en de maag tot in de twaalfvingerige darm wordt geschoven. De tip van het instrument wordt in de galweg of soms in de afvoergang van de pancreas zelf ingebracht. Door contraststof in de afvoergangen te injecteren, kunnen we afbeeldingen maken. Soms schrapen we met een borsteltje weefsel aan de binnenkant van deze afvoergangen af of nemen we met een tangetje een biopt van de tumor. Via deze techniek wordt soms ook een stent in de galweg geplaatst om erg uitgesproken geelzucht te behandelen. Dit onderzoek wordt onder volledig verdoving uitgevoerd.
  • PET-scan: onderzoek waarbij een licht radioactieve contraststof in de bloedbaan wordt ingespoten. Deze contraststof gaat zich specifiek op kwaadaardige letsels vast zetten. Daardoor kunnen we controleren of er naast de eigenlijke pancreastumor ook uitzaaiingen in lymfeklierlever of elders in het lichaam zijn.

Hoe wordt pancreaskanker (alvleesklierkanker) behandeld?

Na de nodige onderzoeken bespreekt de arts in een multidisciplinair team de behandelopties. Uw arts overlegt steeds met u de mogelijkheden en legt uit wat u voor, tijdens en na uw behandeling kunt verwachten.

Het belangrijkste doel van de behandeling van pancreaskanker is genezing. Dat is helaas niet altijd mogelijk. We spreken dan ook, afhankelijk van het doel van de behandeling van:

  • curatieve behandeling: met het oog op genezing
  • palliatieve behandeling: als genezing niet meer mogelijk is door bijvoorbeeld uitzaaiingen. We proberen dan de ziekte zo veel mogelijk af te remmen en de klachten te verminderen.

Pancreaskanker wordt vaak pas ontdekt in een laat stadium, op het moment dat er al uitzaaiingen zijn of als het gezwel is doorgegroeid in bloedvaten die bij een operatie niet vervangen kunnen worden.

De volgende behandelingen zijn mogelijk bij pancreaskanker:

Operatie 

Bij een operatie van pancreaskanker verwijdert de chirurg de tumor en een deel van het omringende gezonde weefsel (resectie). Lees hier meer over het chirurgisch zorgtraject bij pancreaskanker.

Als de tumor in de pancreaskop gelegen is, voeren we een pancreaticoduodenectomie of whipple-operatie uit. Daarnaast zijn de volgende gevallen mogelijk:

  • Als de tumor is doorgegroeid in de slagader naar de lever of naar de darmen toe, is een operatie vaak niet meer mogelijk. In uitzonderlijke gevallen kunnen we met chemotherapie de tumor nog verkleinen om alsnog tot een operatie te komen. Omdat de tumor vaak pas in een laattijdig stadium wordt ontdekt, is een operatie slechts bij 15% van de patiënten mogelijk.
  • Als de tumor is doorgegroeid in de poortader naar de lever, wordt deze poortader mee weggenomen of soms vervangen door een kunstader. De poortader is een ader die bloed vanuit de darmen doorheen de pancreaskop naar de lever toe brengt.
  • Als de tumor zich in het pancreaslichaam of in de pancreasstaart bevindt, is genezing soms mogelijk door deze specifieke delen van de pancreas (inclusief milt) weg te nemen. Ook deze tumoren worden dikwijls pas in een laattijdig stadium ontdekt en een eerste stap naar een operatie, is dan het uitsluiten van uitzaaiingen op afstand. Om de noodzakelijke marge gezond weefsel omheen de tumor te kunnen bereiken, is het soms nodig om omliggende organen zoals bijnier, maag of dikke darm mee weg te nemen.
  • Als de tumor niet verwijderd kan worden, voeren we soms ook een operatie uit om de geelzucht door afsluiting van de galwegen, of om een afsluiting van de twaalfvingerige darm op te heffen. Daarbij wordt er dan een omleiding gemaakt tussen galweg en/of de maag naar de dunne darm toe.

Hoe verloopt de operatie?

De operatie wordt altijd onder volledige verdoving uitgevoerd. De insnede van de buik verloopt meestal onder de ribboog langs beide kanten van de buik. U krijgt meestal een epidurale verdoving of pijnpomp om na de ingreep de pijn zelf te controleren.  

Na de resectie moeten de achtergebleven organen (de pancreasrest, de lever met galweg en de maag) terug met de dunne darm worden verbonden. Dit doen we door de pancreasrest op de maag of de dunne darm in te hechten (1). Iets verderop op de dunne darm wordt de galweg ingehecht (2) en tenslotte weer wat verderop de maagrand (3). Bij deze operatie worden meestal meerdere drains achtergelaten in de buik om het wondvocht te laten afvloeien.    

Mogelijke complicaties

Lekkage

De verbinding tussen de pancreasrest en de maag of dunne darm houdt het meeste risico’s op problemen in. De pancreas of alvleesklier produceert namelijk verteringssappen. Deze verteringssappen kunnen de hechtingen aantasten en lekkage veroorzaken. Door middel van dagelijkse analyse van het drainvocht kunnen we nagaan of deze verbinding goed geneest. Ook geven we vaak een hormoon in infuus om de pancreassappen tijdens de genezingsfase zoveel mogelijk af te zwakken. De verbinding tussen galweg en dunne darm geneest meestal iets makkelijker, maar kan soms ook tekens van lekkage vertonen. De verbinding tussen maag en dundarm is diegene die het minste risico op lekkage inhoudt. Om dit genezingsproces op te volgen maken we soms ook bijkomende CT-scans van de buik.

Als deze verbindingen niet goed genezen zijn er 3 mogelijke oplossingen:

  • Ofwel geneest de verbinding toch door verlittekening. Dit houdt dan wel in dat u iets langer dan gebruikelijk kunstvoeding en hormoontoediening zal krijgen, tot we een gunstige evolutie zien. 
  • Als het pancreas- of galvocht zich ophoopt in de buik en daar een collectie of abces dreigt te vormen, vragen we soms aan de radioloog om onder CT-scan-geleide een bijkomende drainage te voorzien.
  • Als de verbinding niet wil genezen en de situatie gevaarlijk wordt voor de patiënt, zullen we soms beslissen een tweede operatie uit te voeren.

Zolang er geen zekerheid is dat deze verbindingen goed genezen zijn, krijgt u sondevoeding die via een slang door de neus helemaal tot in de dunne darm gebracht wordt, voorbij al deze nieuw aangelegde verbindingen, of via kunstvoeding in infuus. 

Als de genezing goed verloopt, verwijderen we de drains en de sondes één na één. Dan schakelt u ook opnieuw over op gewone voeding. Als alles zonder problemen verloopt wordt u minstens 2 weken opgenomen, indien er complicaties optreden wordt dit uiteraard langer. 

Plaatsing van endoscopische stent (als de galwegen door de tumor worden dicht gedrukt)

Via een ERCP plaatsen we een stent in de galweg, zodat de gal opnieuw naar de twaalfvingerige darm kan aflopen. Zo behandelen we de geelzucht en jeuk. Er bestaan verschillende soorten stents: (plastic of metalen stents):

  • Als een operatie niet meer tot de mogelijkheden behoort, plaatsen we meestal een metalen stent. Deze blijft permanent zitten en wordt niet meer verwijderd uit de galweg.
  • Als een operatie nog tot de mogelijkheden behoort, kiezen we voor een plastic stent of een metalen ‘gecoverde’ stent. Die zijn altijd tijdelijk omdat ze na enkele weken of maanden de neiging hebben tot verstopping. Dan moet de procedure herhaald worden (stentwissel).

Mogelijke bijwerkingen

Iedere medische handeling kan aanleiding geven tot complicaties, zelfs als ze uitgevoerd wordt in ideale omstandigheden en volgens de regels van de kunst. 

De complicaties van een diagnostische ERCP zijn uitzonderlijk als er alleen sprake is van röntgenopnamen. Er kan dan een pancreasontsteking (acute pancreatitis) of een infectie ter hoogte van de galwegen of de galblaas ontstaan. Preventieve toediening van antibiotica enkele uren vóór het onderzoek kan dit laatste risico beperken, maar is niet altijd aangewezen. 

Bij een ERCP gecombineerd met een therapeutische handeling (sfincterotomie en geassocieerde behandelingen, zoals stentplaatsing), kunnen vaker complicaties optreden: acute pancreatitis, infectie van galwegen en galblaas, darmperforatie, gastro-intestinale bloeding… De frequentie van ieder van deze complicaties ligt rond de 1%. 

Uitzonderlijk kunnen andere complicaties optreden, zoals cardio-vasculaire of respiratoire complicaties. Deze complicaties kunnen in verband staan met andere onderliggende ziekten of gebruik van bepaalde geneesmiddelen. 

Deze complicaties kunnen als gevolg hebben dat:

  • u langer nuchter moet blijven
  • langer in het ziekenhuis wordt opgenomen
  • een nieuwe endoscopische procedure of operatie noodzakelijk is 
  • we moeten overgaan tot transfusie in geval van bloeding

Bijwerkingen of complicaties doen zich meestal voor tijdens de endoscopische procedure, maar kunnen ook pas enkele dagen later ontstaan (pijn ter hoogte van de buik of borstholte, koorts, rillingen..). Ontstaan deze klachten nadat u ontslagen bent uit het ziekenhuis? Neem dan onmiddellijk contact op met uw verantwoordelijke arts.

Bestraling (radiotherapie)

Als een operatie niet mogelijk is, kunnen we met bestraling de pijn bestrijden. behandeling wordt meestal gegeven in combinatie met chemotherapie. Bestraling is niet aangewezen als er al metastasen of uitzaaiingen zijn.

Chemotherapie

Als een operatie niet mogelijk is, kunt u chemotherapie krijgen om de groei van de tumor af te remmen. Ook als bijkomende behandeling na een operatie, kunt u chemotherapie krijgen. Zo verkleinen we de kans op herval. Soms combineren we de chemotherapie met bestraling. Chemotherapie wordt toegediend via infuus, meestal via dagopname op het oncologisch- en hematologisch dagcentrum. Er bestaan verschillende producten die eventueel gecombineerd kunnen worden. Chemotherapie wordt alleen maar gestart nadat we via een biopsie de kenmerken van de tumor hebben vastgelegd.

Hormoontherapie

Bij de zogenaamde ‘neuro-endocriene’ tumoren (NET-tumoren) dienen we soms een afgeleide van het hormoon somatostatine of dit hormoon gekoppeld aan een radioactief product toe.

Als u alvleesklier-enzymen gebruikt of moet gebruiken, dan vindt u nuttige informatie op www.enzymgebruik.nl.

Deze informatie werd laatst aangepast op dinsdag 30 april 2019 - 13:04
Auteur(s): Team