Ablatie bij hartritmestoornis

Bij ablatie schroeit de cardioloog de oorsprong van hartritmestoornissen weg in het hart.

Praktisch

Maak een afspraak

Wat is een ablatie?

Wat is een ablatie?

Ablatie is een ingreep die wordt uitgevoerd om hartritmestoornissen te behandelen. Het hartweefsel, dat het elektrische circuit vormt en de hartritmestoornis veroorzaakt, wordt uitgeschakeld door met opzet gericht kleine littekens te creëren. Het aanbrengen van deze ablatie littekens gebeurt met een katheter die langs de lies tot in het hart opgeschoven wordt. De procedure kan zowel met lokale verdoving als onder volledige narcose gebeuren. Dit is onder andere afhankelijk van de ritmestoornis en wordt steeds in samenspraak met de uitvoerende specialist en de patiënt afgesproken. De bedoeling van de ingreep is dat de ritmestoornis nadien niet meer terugkomt.

Er zijn 3 methoden om een circuit uit te schakelen:

  • ablatie

    Radiofrequente (RF) ablatie

    Het uiteinde van de katheter wordt opgewarmd met radiofrequente energie (met radiogolven) waardoor een klein litteken in het hartweefsel ontstaat. Wanneer dit gericht op de plaats die de ritmestoornis veroorzaakt aangebracht wordt, wordt het circuit onderbroken en zal de ritmestoornis stoppen.
  • cryoablatie

    Cryoablatie

    Met een vriesballon wordt een zone in het hart bevroren om een litteken in het hart op de plaats van de ritmestoornis te maken en het circuit te onderbreken.
  • thermoablatie

    Pulsed field ablatie (PFA)

    Met hoog energetische elektrische pulsen kunnen eveneens gericht hartspiercellen uitgeschakeld worden om ritmestoornissen te behandelen.

Voor de procedure kan de behandelende cardioloog gebruik maken van een navigatiesysteem waarmee een 3D-kaart gemaakt wordt van je hart. Op die manier weten we precies waar we ons bevinden met de katheters in je hart en beperken we je blootstelling aan röntgenstralen.

Behandeling / Verloop

Behandeling / Verloop

Een ablatie gebeurt meestal aansluitend op een elektrofysiologisch onderzoek (EFO). Tijdens dit onderzoek spoort de arts de oorzaak van de hartritmestoornis op. In samenspraak met de patiënt kan de dokter dan beslissen dat de oorzaak van de ritmestoornissen weggebrand moet worden (ablatie).

  1. 1

    Een ablatie is een invasieve procedure waarbij met katheters in het hart gewerkt wordt. Jouw veiligheid is daarbij voor ons van het allergrootste belang. Een nauwkeurige voorbereiding is een onmisbaar onderdeel om dit in goede banen te leiden. We rekenen dan ook op uw medewerking om onderstaande voorbereidingsinstructies goed te lezen en correct op te volgen. We geven ook enkele aandachtspunten mee.
     

  2. 2

    Het al dan niet mogen innemen van thuismedicatie (o.a. bloedverdunner(s), beta-blokker, andere…) de dagen voor de  procedure, wordt vooraf door u behandelende arts tijdens de consultatie besproken. De bloedverdunning moet correct geregeld zijn om het risico van de ingreep zo klein mogelijk te houden. Daarnaast kan het belangrijk zijn dat andere medicaties die ritmestoornissen onderdrukken uitgewerkt zijn op het moment van de procedure wanneer de cardioloog de ritmestoornissen moet kunnen zien. Daartoe moeten deze medicijnen vaak 5 tot 7 dagen vooraf gestopt worden.

  3. 3

    Je wordt opgenomen op de verpleegafdeling. Vervolgens gebeurt er een bloedafname ter controle van onder meer bloedverdunning en stolling, nier- en schildklier waarden. Verder wordt een elektrocardiogram genomen. De verpleegkundige neemt samen met jou een vragenlijst door. 

    Wat gebeurt er nog:

    • Je krijgt een kamer toegewezen.
    • Je krijgt een ziekenhuishemd.
    • De verpleegkundige plaatst een infuus in je arm zodat medicatie intraveneus kan worden toegediend.
    • Je trekt steunkousen aan voor de preventie van bloedklonters.
    • Tandprotheses, juwelen, bril en andere waardevolle spullen kan je niet meenemen naar de onderzoeksruimte (katheterisatie labo of kathlab). Deze kan je achterlaten in de kluis van je ziekenhuiskamer.
      • Make-up en nagellak dien je vooraf te verwijderen.
  4. 4

    Dit is dezelfde dag van de opname of de dag nadien afhankelijk van jouw afspraken.
     

    Wederom is het uiterst belangrijk om tijdens de ablaties niet te bewegen. De procedure duur kan variëren van 1 tot 4 uur. Dit is onder meer afhankelijk van de plaats van de ritmestoornis (rechter harthelft, linker harthelft, beide), de aard van de 
    ritmestoornis, het aantal ritmestoornissen en de complexiteit van de ingreep. Zeer complexe ingrepen kunnen langer duren.  
    Uiteraard vraagt de nazorg ook de nodige tijd. Na een narcose procedure zal je eerst naar de ontwaakzaal gebracht worden alvorens terug te keren naar de kamer op de verpleegafdeling. Na een procedure onder lokale verdoving word je eerst naar een verkoeverkamer van het katheterisatie labo gebracht alvorens u naar de kamer terugkeert. 

  5. 5

    Eens aan de beurt, wordt u de onderzoekzaal binnengebracht waar het cardio logisch team, en bij narcose ook het anesthesie team u zal opwachten. Opnieuw wordt om veiligheidsredenen naar je identiteit en worden de laatste controlevragen gesteld, waarna je plaatsneemt op de onderzoekstafel. Er worden verscheidene pleisters aangebracht voor een elektrocardiogram om je hartritme te volgen tijdens deze procedure en zo nodig nog bijkomende pleisters voor het gebruik van het navigatiesysteem. Om veiligheidsredenen wordt met 2 klevers steeds ook een defibrillator toestel aangesloten. 
    Na de initiële voorbereiding voor een procedure onder narcose, brengt de anesthesist je in slaap. Eenmaal je slaapt, worden verdere voorbereidingen getroffen waaronder het plaatsen van twee extra infusen en bij een langdurige procedure het 
    inbrengen van een blaassonde. Vervolgens wordt de liesstreek ontsmet en word je toegedekt met een steriel laken.
    We zorgen voor verdoving hetzij tijdens de volledige narcose, hetzij door lokale verdoving aan te brengen wanneer de procedure wakker gebeurt. 

    Eens de verdoving werkt wordt de toegang via de lies gemaakt. Dit gebeurt met een echogeleide punctie. Er worden een of meer buisjes, sheaths genoemd, in de ader en/of slagader geplaatst. Bij procedures die gebeuren aan de linker zijde van het hart, dus langs de slagader of doorheen het voorkamer tussenschot, wordt nog bijkomende bloedverdunning opgestart om klontervorming te voorkomen. 
    Via deze buisjes of sheaths worden de katheters in het hart opgeschoven en kan de cardioloog met de procedure starten. Het opschuiven en het bewegen van de katheters in het lichaam is pijnloos. Soms is er een drukgevoel in de lies, de rug, op de borst of tussen de schouderbladen. Eens de katheters in het hart aankomen kan het hartbonzen anders aanvoelen dan wat 
    je zelf gewoon bent.

  6. 6
    • Tijdelijke of eenmalige blaassondes worden zo snel mogelijk verwijderd.
    • Na de ingreep worden de buisjes uit de lies verwijderd. Dit gebeurt steeds zo snel als mogelijk en soms wordt hiervoor ook een hechting gebruikt. Sommige buisjes dienen echter nog 4u ter plaatse te blijven totdat de bloedverdunning 
      voldoende uitgewerkt is. 
    • Ten laatste 4u na de ingreep worden dan alle resterende buisjes en of hechtingen uit de lies verwijderd.  Het wondje wordt met een droog verband afgedekt.
  7. 7
    • Doe het één week rustig aan
    • Verband in de lies mag na 3 dagen af
    • Vermijd: fietsen, zware lasten, veel trappen, zwemmen
    • Lange autoritten worden afgeraden
    • Geen lange vliegreizen tot na de controle (4–8 weken)
    • Hartritmestoornissen kunnen nog tot 3 maanden voorkomen
    • Volg het nieuwe medicatieschema nauwkeurig op
  • Jow veiligheid is voor ons van het allergrootste belang en bovenal onze eerste bekommernis. Elke ablatie blijft een technische en invasieve ingreep aan het hart. We besteden dan ook de grootste zorg om de risico’s die eigen zijn aan zulke procedure zo klein mogelijk te maken. We doen dit door samen te werken als zorgteam waar je als patiënt ook deel van uit maakt.
    Het percentage complicaties ligt laag: tot 4% bij ablatie. Het is wel belangrijk dat je weet wat de mogelijke  complicaties inhouden, zodat je daarop voorbereid bent.

    • Blauwe plek ter hoogte van de lies: de meest voorkomende complicatie (1.5%- 2%) is een blauwe plek (hematoom). Meestal komt dit vanzelf in orde en heb je hiervan later geen last meer
    • Fistel in de lies: zeer zeldzaam (<0.5% - 1%) ontstaat er een verbinding tussen de ader en de slagader in de lies (fistel). Meestal gebeurt hier niets aan en sluit die vanzelf na een paar dagen of weken, maar soms is een operatie noodzakelijk om 
      de fistel te herstellen. 
    • Ontsteking: door het aanbrengen van brandwondjes in het hart ontstaat steeds een ontstekingsreactie. Soms (1%) kan de ontsteking zich ook voortzetten op het hartzakje of het longvlies. Dit kan aanleiding geven tot steken op de borst. Wanneer dat voorkomt krijg je bijkomende medicatie om dit op te verhelpen.
    • Beschadiging in het hart: doordat sommige ritmestoornissen zich dicht bij het normale geleidingssysteem, kroonslagader of zenuwen voordoen, kan het voorkomen dat deze structuren tijdens het ablatieproces geraakt worden. Hoewel steeds alle nodige veiligheidsmaatregelen genomen worden om dit te vermijden, is niet altijd te voorzien dat er schade aan een onderliggende of naburige structuur optreedt. Dit kan dus in zeldzame gevallen toch voorkomen. Wanneer dit 
      zich niet spontaan oplost, kan het nodig zijn om bijkomend een pacemaker of stent te plaatsen. Uiterst zelden treedt er een beschadiging van de hartkleppen op.
    • Beschadiging van de middenrifzenuw bij cryoablatie: tijdens het bevriezen van de rechter longader kan het gebeuren dat ook de middenrifzenuw mee be vroren wordt. Dit kan kortademigheidsklachten geven en is meestal van voorbij gaande aard. 
    • amponade: zeer zeldzaam (<1,5%) komt het voor dat er een ‘lek’ in de hart wand ontstaat tijdens de ingreep. Daardoor ontstaat er een bloeduitstorting in het hartzakje rondom het hart. Door die bloeduitstorting kan het hart niet meer goed ontspannen en zal de bloeddruk dalen. Om dat op te lossen prikken we het hartzakje aan en zuigen we het gelekte bloed weg. In zeer zeldzame gevallen is een chirurgische interventie (met open borstkas operatie) nodig om het lek te herstellen. 
    • Bloedklonter: zeer zeldzaam (<1%) gebeurt het dat er zich ondanks bloedverdun ning een bloedklonter vormt in het hart. Als dit aan de linker zijde van het hart gebeurt en de klonter zich naar de hersenen verplaatst kan in het slechtste geval een beroerte optreden. Daarom wordt je bloed nauwgezet gecontroleerd en waar nodig verdund voor, tijdens en na de ingreep. Je dient alle instructies hier omtrent dan ook nauwkeurig op te volgen.
    • Vernauwing longaders: ablaties dicht bij de longaders kunnen aanleiding geven tot een vernauwing aan de longaders. Wij nemen alle nodige voorzorgsmaatre gelen om dit te voorkomen. Klinisch belangrijke longader vernauwing komt dan ook zeer zelden voor met de huidige technieken. 
    • Fistel tussen linker voorkamer en slokdarm: Dit is een zeer zeldzame (<0.025%) complicatie die soms pas enkele dagen tot weken na de ingreep op treedt. Bij hevige pijn op de borst, ophoesten van bloed, aanhoudende koorts of blijvende slikproblemen neem je best meteen contact op met ons.
Nazorg

Nazorg

Betrokken diensten

  • De dienst cardiologie behandelt aandoeningen van hart- en bloedvaten (cardiovasculaire aandoeningen of hart- en vaatziekten).