Coronavirus COVID-19

Informatie voor patiënten en bezoekers
Meer details Meer details

Resusziekte

Soms kan een ongeboren of pasgeboren baby ernstige bloedarmoede ontwikkelen. Als de bloedarmoede ontstaat door afbraak van de rode bloedcellen, spreken we van de resusziekte.

Wat zijn de oorzaken?

Resusziekte kan enkel optreden als u als resusnegatieve vrouw (geen resusantigeen in bloed) zwanger bent van een resuspositieve vader (wel resusantigeen in bloed) en een resuspositief kindje verwacht.

In sommige, zeldzame gevallen komen de rode bloedcellen van het kindje dan in de bloedbaan van de moeder terecht, waarna de moeder afweerstoffen aanmaakt die de rode bloedcellen van de baby afbreken. Het (ongeboren) kind kan daardoor bloedarmoede ontwikkelen, ziek worden en eventueel bloedtransfusie in de baarmoeder nodig hebben.

Welke onderzoeken worden in het kader van resusziekte uitgevoerd?

Tijdens uw zwangerschap wordt bij het eerste bloedonderzoek bepaald of u resusnegatief of resuspositief bent. Als blijkt dat u resusnegatief bent, krijgt u preventief resusantistoffen toegediend zodat u deze zelf niet kan gaan maken.

Als we ernstige bloedarmoede bij de baby vermoeden, gebeurt er verder onderzoek:

  • Speciale vorm van NIPT (niet-invasieve prenatale test)

Tegenwoordig kunnen we dankzij een speciale vorm van NIPT de bloedgroep van de baby nagaan en bepalen of deze resusnegatief of -positief is. Als uit het onderzoek blijkt dat er geen probleem is tussen de bloedgroep van de baby en die van de moeder, weten we dat een bloedgroepprobleem niet de oorzaak van eventuele moeilijkheden kan zijn. NIPT kan ook helpen om een resusnegatieve moeder gerust te stellen dat haar baby ook resusnegatief is. Dan bestaat er geen enkele kans op een probleem.

  • Doppler

Bij een vermoeden van ernstige bloedarmoede voeren we een speciale echografie uit, een zogenaamde Doppler van een bepaald hersenbloedvat. Daarmee kunnen we zonder bloedafname bij de baby bepalen of deze bloedarmoede heeft of niet.

Hoe wordt resusziekte behandeld?

Indien de Doppler bevestigt dat er bloedarmoede is bij de baby, kan het nodig zijn om tot intra-uteriene transfusie over te gaan.

Intra-uteriene transfusie

Wat is een intra-uteriene transfusie?

Een intra-uteriene transfusie is het onder echo aanprikken van de navelstreng met een lange fijne naald en hierin bloed toe te dienen. Intra-uteriene transfusie kan gegeven worden vanaf een zwangerschapsduur van ongeveer 16 weken tot de zwangerschapsduur waarop de baby op een verantwoorde wijze kan geboren worden (34 – 37 weken)

Hoe verloopt de ingreep?

De intra-uteriene transfusie wordt in het UZA uitgevoerd, omdat het UZA verbonden is aan het bloedtransfusiecentrum van de provincie Antwerpen.

  • U wordt voor een intra-uteriene transfusie op de afdeling verloskunde opgenomen.
  • De gynaecoloog bespreekt uitgebreid het verloop van de ingreep.
  • De behandeling vindt plaats in de behandelkamer van E4 of E5 en gebeurt altijd onder lokale verdoving en steriele omstandigheden.
  • Er wordt een speciaal bloedstaal in het transfusiecentrum klaargemaakt.
  • Vervolgens gebeurt de ingreep zelf: uw navelstreng wordt onder echo met een lange fijne naald aangeprikt en er wordt bloed toegediend.
  • De gehele ingreep duurt tussen 20 en 60 minuten
  • Na de ingreep moet u nog een tijdje rusten. We raden minimum twee uur bedrust aan.
  • Vanaf 24 weken zwangerschap zullen we ook een foetale monitor, een zogenaamde cardiotocografie, aanleggen. Vóór 24 weken luisteren we even naar de harttonen of kijken we naar het hartje met de echo.

Als de transfusie vroeg in de zwangerschap plaatsvindt, zal er meestal twee weken later opnieuw een transfusie moeten worden gegeven. Dat wordt steeds herhaald om de drie tot vier weken, tot de zwangerschapsduur waarop de baby op een verantwoorde wijze kan geboren worden. Dat is ergens tussen 34 en 37 weken.

Na 35 weken dienen we geen intra-uteriene transfusies meer toe. Dan is het veiliger voor de baby om geboren te worden.

Wat zijn mogelijke nevenwerkingen?

Het risico op complicaties is ongeveer 1%. Mogelijke complicaties zijn:

  • Vroegtijdige weeën
  • Gebroken vliezen
  • Infectie
  • Verstopping van de navelstreng. Dit is een zeldzame complicatie en kan ervoor zorgen dat het kind, vanaf 26 weken, met een spoedkeizersnede geboren moet worden.
Deze informatie werd laatst aangepast op dinsdag 07 Mei 2019 - 11:05
Auteur(s): Team