Coronavirus COVID-19

Informatie voor patiënten en bezoekers
Meer details Meer details

Interne defibrillator (implanteerbare cardioverter defibrillator-ICD)

Een defibrillator voorkomt een abnormale vertraging van het hartritme en behandelt levensbedreigende hartritmestoornissen.

Wie komt in aanmerking voor een defibrillator?

Als de elektrische werking van het hart verstoord is, kunnen er zich hevige hartritmestoornissen voordoen in de hartkamers. Om dit te voorkomen wordt een defibrillator ingeplant die in werking treedt van zodra gevaarlijke hartritmestoornissen optreden. De defibrillator herstelt het normale hartritme door één of meerdere elektrische schokken af te geven. Ook wanneer de hartslag te traag wordt, functioneert de defibrillator als een pacemaker en wordt het hartritme op peil gehouden.

Hoe werkt een defibrillator?

Een defibrillator is een apparaat dat de hartslag in het oog houdt. Het werkt met een ingebouwde batterij en wordt ingeplant ter hoogte van de schouderstreek, meestal links. Het staat in verbinding met het hart via één, twee of drie draden (elektroden). Hiermee zal het toestel continu nakijken of er geen gevaarlijke hartritmestoornissen aanwezig zijn.

Zo lang het hartritme normaal is, blijft de defibrillator inactief. Zodra gevaarlijke ritmestoornissen zich voordoen, zal het toestel deze detecteren en behandelen.

De behandeling bestaat in eerste instantie uit het afgeven van snelle impulsen (antitachycardie pacing of kortweg ATP). Dit is een pijnloze behandeling die vaak voldoende is om het ritme te herstellen. Wanneer het toestel echter na enkele malen ATP niet in staat is de ritmestoornis te onderbreken, zal het een of meer elektrische schokken afgeven om het ritme te corrigeren.

Een elektrische schok kan onprettig aanvoelen. Meestal wordt het omschreven als een slag op de borst. De gewaarwording is uiteraard individueel verschillend, sommigen voelen het zelfs niet.

Het toestel kan ook waarnemen of het hartritme te traag wordt. Dan stuurt het een elektrische prikkel naar de hartspier om hem te doen samentrekken.

Hoe verloopt de implantatie?

Voor, tijdens en na

Voorbereiding op de implantatie

Meestal wordt u een tijdje van tevoren opgenomen in het ziekenhuis. Er vinden enkele vooronderzoeken plaats, zoals:

Tenzij anders gemeld, mag u de dag van de implantatie niets eten. Een kleine hoeveelheid water drinken om uw medicatie in te nemen mag wel.

Misschien zal u gevraagd worden om bepaalde medicatie, zoals bloedverdunners, vooraf te stoppen.

De implantatie

Er zijn 2 types defibrillatoren:

  • Transveneuze defibrillatoren: de draden worden langs de bloedvaten tot in het hart geplaatst. De implantatie gebeurt doorgaans onder lokale verdoving. Hoe lang de ingreep duurt, hangt af van het vinden van een goede stimulatieplaats in het hart, opdat uw defibrillator correct kan werken.
  • Onderhuids/subcutane defibrillatoren: er wordt slechts één draad geplaatst onder de huid. Voorafgaand aan de procedure stelt de arts vast of de elektrische signalen van uw hart de implantatie van een subcutaan systeem toelaten. De implantatie gebeurt doorgaans onder algemene narcose.

Uw arts zal met u bespreken welk systeem voor u geschikt is.

Verloop van de implantatie

  • Wanneer u aankomt in de zaal installeert de verpleegkundige u op de operatietafel. De arts en verpleegkundigen dragen mondmaskers en haarkapjes om u te beschermen tegen mogelijke infecties. 
     
  • Eerst wordt er een elektrocardiogram (hartfilm) aangesloten om uw hartritme te volgen tijdens de ingreep. Er worden ook een aantal klevers aangebracht die noodzakelijk zijn voor de ingreep. 
     
  • Daarna wordt de schouderstreek ontsmet en worden de steriele doeken op u gelegd die op het gelaat na alles zullen bedekken. 
     
  • Transveneuze ICD: U krijgt een prikje met plaatselijke verdoving. Wanneer de huid goed verdoofd is, wordt er een kleine snede van een vijftal cm gemaakt, meestal onder uw sleutelbeen tussen schouder en borstspier.  Via een bloedvat worden de defibrillatordraden opgeschoven tot in de rechter kamer en/of rechter voorkamer van uw hart, waar ze worden vastgemaakt. Soms wordt ook een derde draad geplaatst bij de linker kamer, afhankelijk van uw hartziekte.  Vervolgens worden de draden vastgehecht aan de schouderzijde. 
     
  • Subcutane ICD: U wordt onder algemene narcose gebracht. Wanneer u onder narcose bent, wordt er een snede van een vijftal cm gemaakt ter hoogte van uw linkerflank enkele cm onder de oksel. Via enkele kleine insneden wordt de draad onderhuids over de ribben en langs het borstbeen aangebracht.
      
  • Daarna wordt de defibrillator aangesloten op de draad/draden en wordt het toestel onder de huid in de pocket geplaatst. 
     
  • De elektrische functies van het toestel worden nagekeken. 
     
  • Als alles goed werkt, sluit de arts uw huid met hechtingen. 
     
  • Tot slot wordt het toestel via een computer geprogrammeerd en ingesteld volgens uw specifieke situatie.
     
  • In sommige gevallen wordt het toestel ook bijkomend getest. Hiervoor wordt tijdens een korte narcose een ritmestoornis opgewekt door de arts die dan automatisch door de defibrillator gestopt wordt.

Na de ingreep: naar huis / nazorg

  • De arts brengt een drukverband aan dat 5 dagen ter plaatse moet blijven.
  • Uw arm wordt in een draagdoek geplaatst die u de eerste 2 dagen niet mag uitdoen, uw mag uw arm (kant van defibrillator) niet bewegen.
  • De dag van de implantatie moet u absoluut in bed blijven. U blijft ook onder continue monitoring op uw kamer. U mag opnieuw eten en drinken.
  • De dag na de ingreep wordt een röntgenfoto van de borststreek en een hartfilm gemaakt.
  • De defibrillator wordt ook opnieuw gecontroleerd op normale werking.
  • De arts beslist wanneer u bloedverdunning die eerder gestopt werd weer mag innemen.
  • Als alles goed is, kunt u de dag na de implantatie het ziekenhuis verlaten.
  • Eens terug thuis, laat u het verband ter plaatse. De eerste 2 dagen mag u uw arm (kant van de defibrillator) niet bewegen. Daarna mag u uw arm bewegen maar niet hoger heffen dan schouderhoogte gedurende 2 maanden zodat de draden in uw hart zich goed kunnen vastzetten. 
  • De eerste week dient u de wonde droog te houden. 
  • De wondhechtingen mogen na 10 dagen door uw huisarts of verpleegkundige verwijderd worden. 
  • Er mag nooit in de pocket geprikt worden.

Opvolging

Controleafspraken

De eerste controle van het toestel wordt gepland 4 tot 6 weken na de implantatie en daarna 2 keer per jaar.

Bij elke controle worden verschillende testen uitgevoerd:

  • controle van de draden
  • controle van de defibrillatorwerking
  • controle van de batterijstatus
  • bevraging naar eventuele hartritmestoornissen in de periode voor de controle

Wanneer alles in orde is, krijgt u een nieuwe afspraak mee voor de volgende controle.

Deze controles zijn een wettelijke vereiste om uw rijgeschiktheid niet te verliezen.

Implantatiekaart

Na de implantatie krijgt u een kaart waarop vermeld staat dat er bij u een defibrillator geplaatst werd. Welke gegevens vindt u hierop terug?

  • het merk
  • het model
  • het type
  • de serienummers van het toestel en de draden
  • de implantatiedatum
  • de arts die het toestel heeft geplaatst
  • de contactgegevens van het implantatieziekenhuis 

Hou deze kaart steeds goed bij en bewaar hem best bij uw identiteitsbewijs. Bij opname in het ziekenhuis, ook in het buitenland, toont u de kaart aan uw behandelend arts. Ook wanneer u aan de veiligheidscontroles op de luchthaven komt, toont u de kaart aan de veiligheidsdiensten. U kan onze contactgegevens terugvinden voor het geval zich een probleem voordoet.

Vervanging

Na enkele jaren (meestal 6 tot 10 jaar) is de batterij aan vervanging toe. De defibrillator geeft dit aan door bij uitlezing een ERI- of RRT-bericht te tonen.

Wanneer ERI of RRT bereikt is, funcioneert het toestel nog 3 maanden normaal. Aan vervanging toe wil dus niet zeggen dat de batterij leeg is, wel dat de defibrillator binnen de 3 maanden vervangen moet worden. Dit is een kleine ingreep waarbij de arts de huid van de pocket terug openmaakt en de defibrillator vervangt door een nieuw toestel. Als de draden normaal werken, blijven ze ter plaatse in uw hart. Als de draden niet meer goed werken, worden ze ook vervangen.

Deze informatie werd laatst aangepast op vrijdag 19 februari 2021 - 11:02
Auteur(s): Team