Stamceltransplantatie

Bij een stamceltransplantatie krijgt de patiënt gezonde, goedwerkende stamcellen toegediend. Die cellen zijn in staat om in een ander celtype te veranderen en zo defecte of afwezige cellen in het lichaam te vervangen. Vroeger was daarvoor een beenmergpunctie (beenmergtransplantatie) nodig die meer belastend was voor de donor. Nu gebeurt dat door een bloedtransfusie.

Bij welke ziekten wordt stamceltransplantatie toegepast?

In het UZA wordt de therapie toegepast bij verschillende vormen van kanker, niet-kwaadaardige bloedziekten en stofwisselingsziekten. Alleen bij die kankers die voldoende gevoelig zijn voor chemotherapie, kan stamceltherapie gebruikt worden als ondersteunende behandeling:

Welke soorten stamceltransplantatie bestaan er?

Op basis van de aard van de ziekte en de leeftijd van de patiënt wordt het type transplantatie bepaald:

Autologe transplantatie 

De gebruikte stamcellen komen uit het bloed van de patiënt zelf. Ze worden afgenomen na een reeks chemotherapiekuren,ingevroren en teruggegeven na het toedienen van een chemotherapieschema specifiek voor deze vorm van transplantatie. Het schema dat men krijgt is afhankelijk van het type ziekte waar men aan lijdt. Bij deze vorm van transplantatie is er geen gevaar op afstoting en minder kans op infecties. Het afweersysteem kan dan ook sneller herstellen. De leeftijdsgrens ligt op ongeveer 70 jaar.

Allogene transplantatie

De stamcellen komen van een donor. In dat geval moet het weefseltype van donor en ontvanger zo veel mogelijk overeenstemmen om afstoting te voorkomen. Daarom wordt eerst gezocht bij een broer of zus. De kans op een identiek weefseltype bedraagt dan 1 op 4. Indien er geen familiale donor beschikbaar is, wordt er wereldwijd gezocht naar een niet-verwante kandidaat-donor. Dat lukt bij 70% van de patiënten. De voorafgaande chemotherapie, ook conditionering genoemd, wordt bepaald in functie van leeftijd, ziekte en het type donor.

Hoe worden de stamcellen afgenomen?

Het Centrum voor Celtherapie en Regeneratieve Geneeskunde (CCRG) van het UZA heeft een stamcellenbank. Die worden verkregen via een specifieke procedure waarbij de stamcellen als het ware in het beenmerg worden ‘opgejaagd’ zodat ze in de bloedbaan terechtkomen. Eens deze in voldoende aantal in het bloed verschijnen, volgt de collectie.

Wat gebeurt er voor u een stamceltransplantatie ondergaat?

  • Voor de transplantatie krijgt u een behandeling met chemotherapie en/of radiotherapie.
  • Op de verpleegafdeling ondergaat u nog enkele onderzoeken:
  1. Een centraal veneuze katheter wordt geplaatst
  2. Bloedonderzoek
  3. Bacteriologisch onderzoek van de keel, het bloed, de urine en de stoelgang
  4. RX Thorax: de verpleegkundige van radiologie neemt een foto van uw longen
  5. Totale lichaamsbestraling: meten van bloeddruk, temperatuur, pols, zuurstofgehalte in het bloed en gewicht

Hoe verloopt de stamceltransplantatie?

De stamcellen worden via de bloedbaan aan de patiënt toegediend en vinden zelf hun weg. De duurtijd van het inlopen is afhankelijk van het volume dat moet worden toegediend. Meestal duurt deze tussen een half uur en een uur.

Wat gebeurt er na de stamceltransplantatie?

Ongeveer 12 dagen na het toedienen van de stamcellen treedt er een herstel op van het beenmerg. Tijdens deze periode worden er maatregelen genomen om u te beschermen en te voorkomen dat u in contact komt met bacteriën, gisten en/of schimmels:

  • U verblijft in omgekeerde isolatie 
  • U krijgt preventieve medicijnen toegediend 
  • Uw voeding wordt aangepast

Wanneer mag u naar huis?

Om na een stamceltransplantatie het ziekenhuis te kunnen verlaten, spelen enkele factoren een rol:

  • U kan uw medicatie innemen in de vorm van pilletjes of siroop en hierbij voldoende eten en drinken. Dit is belangrijk om uitdroging te voorkomen
  • Eventuele infecties moeten onder controle zijn
  • Er mogen geen symptomen van afstoting aanwezig zijn zoals overmatige diarree, koorts, gestoorde levertesten
  • We brengen u een aantal dagen voor uw ontslag op de hoogte. Meld alles waar u aan denkt en waar we u mee kunnen helpen (zoals thuisverpleging of thuishulp), zodat we hier tijdig op kunnen inspelen.
  • Om een verblijf in omgekeerde isolatie te verlaten, moet u minstens 500 neutrofielen hebben ten opzichte van het totaal aantal witte bloedcellen. 

De raadpleging in het oncologisch en hematologisch dagcentrum zal u in de eerste maanden na stamceltransplantatie nauwgezet opvolgen. Indien u medicatie tegen afstoting neemt, wordt uw bloedspiegel 1x per week in het dagcentrum gecontroleerd. Er kunnen bijkomende onderzoeken plaatsvinden zoals bijvoorbeeld een beenmergpunctie of een radiologisch onderzoek. Indien nodig krijgt u ook transfusies van rode bloedcellen en/of bloedplaatjes.

Welke complicaties kunnen voorkomen bij een stamceltransplantatie?

  • Bijwerkingen van chemotherapie of radiotherapie zorgen voor een afwijkend bloedbeeld (lager aantal witte of rode bloedcellen of bloedplaatjes)
  • Infecties: de meest voorkomende symptomen hiervan zijn koorts, rillingen, zweten, neusloop, hoest, kortademigheid, slijmproductie, diarree, branderig gevoel bij het plassen, ruikende urine, rode gezwollen huid
  • Niet aanslaan van de stamcellen: Het komt zelden voor dat stamcellen niet aanslaan. Indien dit toch het geval is en u de stamcellen afstoot, overlegt uw arts met u de mogelijkheden om opnieuw stamcellen van uw donor op te vragen en toe te dienen.
 

Word stamceldonor

Het Rode Kruis-Vlaanderen is voortdurend op zoek naar stamceldonoren. Omdat de kans op overeenstemming van het weefseltype 1 op 50.000 is, is er een grote nood aan kandidaat-donoren en wordt er wereldwijd samengewerkt.

Als u bereid bent stamcellen af te staan, kunt u zich laten opnemen in het Belgische stamcelregister.

Meer info: www.stamceldonor.be

Deze informatie werd laatst aangepast op dinsdag 10 april 2018 - 15:04
Auteur(s): Team stamceltransplantatie en celtherapie