Epilepsie

Epilepsie is na migraine de meest voorkomende neurologische aandoening en treft 1 op de 200 mensen. In België wonen er meer dan 60.000 epilepsiepatiënten. Epilepsieaanvallen zijn het gevolg van een abnormaal elektrisch verschijnsel in de hersenen. 1 geïsoleerde epilepsieaanval is geen chronische aandoening. Veel mensen krijgen in hun leven één keer een epileptische aanval. De ziekte ‘epilepsie’ krijgt men als men meerdere epileptische aanvallen doet.

Epilepsie in cijfers

Welke soorten epilepsieaanvallen bestaan er?

Wat zijn de oorzaken van epilepsie?

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Hoe wordt epilepsie behandeld?

Wat kunt u doen als iemand een epilepsie-aanval heeft?

Epilepsie in cijfers

  • 5 % van de mensen krijgt ooit in zijn leven een epilepsieaanval
  • 40 % van de epilepsiepatiënten is jonger dan 16 jaar (kinderepilepsie)
  • 20 % van de epilepsiepatiënten is ouder dan 65 jaar

Welke soorten epilepsieaanvallen bestaan er?

Bij een epileptische aanval is er een verstoorde elektrische ontlading in een beperkte zone van de hersenschors of in beide hersenschorsen. Er zijn 3 belangrijke types van aanvallen:

  • Gegeneraliseerde aanvallen waarbij beide hersenhelften worden getroffen:
    • Tonisch-clonische aanval: de patiënt verliest het bewustzijn en valt op de grond. Hij verstijft, klemt de kiezen op elkaar en wordt blauw in het gezicht, gevolgd door stuiptrekkingen. Vaak is er urineverlies en bijt de patiënt op zijn tong.
    • Absence: de patiënt is even ‘weg van de wereld’, vaak maar enkele seconden.
  • Partiële aanvallen (ook focale aanvallen of aura’s) waarbij maar een beperkte zone van de hersenschors wordt getroffen:
    • Eenvoudige partiële aanval: de patiënt blijft bewust, maar krijgt bijvoorbeeld trekkingen in een arm of been of ruikt, hoort of ziet dingen die er niet zijn.
    • Complexe partiële aanval: de patiënt is minder bewust en vertoont soms automatismen als kauwen, slikken, ergens aan prutsen...
  • Partieel secundair gegeneraliseerde aanvallen: aanvallen die beginnen in één hersenschors, maar nadien uitbreiden naar beide hersenhelften.

Wat zijn de oorzaken van epilepsie?

  • 60% van de patiënten heeft een verworven epilepsie: een afwijking in de hersenen zoals een litteken, tumor, bloeding, trombose, vaatmalformatie, infectie,…
    • 15% hiervan ontwikkelt de ziekte als gevolg van een beroerte (ook CVA)
    • 6% ontwikkelt de ziekte als gevolg van een tumor
  • 40% van de patiënten heeft epilepsie met een genetische oorzaak: idiopathische epilepsie.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

  • Elektro-encefalogram of EEG: registratie van de elektrische activiteit van de hersenschors via elektroden op de hoofdhuid. Abnormale elektrische ontladingen kunnen zo geregistreerd worden. Dit is een pijnloos onderzoek.
  • 24 uurs EEG met videomonitoring: langdurigere registratie tijdens uw opname in het ziekenhuis. Aanvallen kunnen dan op video geregistreerd worden. Er is een continue EEG-registratie om de abnormale ontladingen te kunnen registreren.
  • EEG met slaapdeprivatie: slaaptekort kan een epileptische aanval uitlokken of epileptische activiteit op EEG uitlokken. Zo verhoogt de kans om de diagnose te stellen.

Bij behoorlijk wat epilepsiepatiënten worden de aanvallen veroorzaakt door een letsel in de hersenen (lesionele epilepsievorm). Het opsporen van een letsel gebeurt vandaag met behulp van computertomografie (CT) of magnetische resonantie beeldvorming (MRI of NMR):

  • MRI heeft een veel hogere contrastgevoeligheid dan CT en is daarom meestal het voorkeursonderzoek. Bij epilepsiepatiënten die moeilijk of niet te behandelen zijn (refractaire epilepsiepatiënten), toont MRI in 70 % van de gevallen een afwijking. Bovendien geeft de techniek nauwkeurige informatie over de ligging van het letsel en de nabijheid van andere functionele hersengebieden. Dat is vooral bij chirurgie uiterst belangrijk. Nadeel van het onderzoek is dat de patiënt 20 tot 30 minuten stil moet blijven liggen. 
  • CT wordt voornamelijk gebruikt in de acute fase na een ongeval of operatie en bij patiënten ouder dan 60 met een eerste aanval, omdat in die groep vaker hersentromboses of hersenbloedingen optreden. Ook mensen die niet in aanmerking komen voor MRI, krijgen een CT-scan. 

Hoe wordt epilepsie behandeld?

De behandeling bestaat bijna altijd uit medicatie:

  • Vaak monotherapie: de inname van 1 type medicijn.
  • Soms polytherapie: de combinatie van verschillende medicijnen. Vandaag beschikken we over tal van anti-epileptica en kan voor de patiënt vaak een behandeling ‘op maat gemaakt’ worden. De keuze van een medicament hangt af van:
    • soort epilepsie
    • geslacht
    • leeftijd
    • bijwerkingen
    • inname van andere medicijnen enzovoort

7 op 10 patiënten wordt met medicatie volledig aanvalsvrij. Dit betekent wel dat u dagelijks uw medicatie correct moet innemen.
Patiënten die dankzij behandeling goed blijven, hebben grote kans op ‘ genezing’. Statistisch gezien kan soms meer dan de helft van die bepaalde groep patiënten op een dag stoppen met medicatie.
Vaak houdt de behandeling ook een aanpassing van levensstijl in:

  • eten en slapen op regelmatige tijdstippen
  • beperken van alcohol en stress
  • medicatie op regelmatige tijdstippen innemen

Zo kunnen we het risico op een nieuwe aanval verminderen.

Bij 30% van de patiënten kunnen de geneesmiddelen de epilepsie niet volledig controleren. Dit noemen we refractaire epilepsie. Bij deze groep patiënten proberen we het aantal en de ernst van de aanvallen met polytherapie te verminderen. Soms kunt u ook deelnemen aan een wetenschappelijke studie met een nieuwere medicijn. Daarnaast is epilepsiechirurgie soms een optie. Ook de elektrische stimulatie van de nervus vagus kan een mogelijkheid zijn.

Wat kunt u doen als iemand een epilepsie-aanval heeft?

  • Blijf rustig. Een aanval is in principe ongevaarlijk en stopt bijna altijd spontaan na een paar minuten.
  • Draai de patiënt op zijn zij en met het hoofd opzij, zodat zij/hij niet kan stikken in haar/zijn braaksel. Maak indien mogelijk de mond vrij van braaksel of speeksel. 
  • Zorg dat de patiënt zich niet kan kwetsen. Zet stoelen, tafels, glazen en scherpe voorwerpen uit de buurt.
  • Probeer vooral geen vinger of voorwerp tussen de tanden van de patiënt te klemmen. Zo kunt u uzelf of de patiënt verwonden.
  • Bel de huisarts of de 100 of 112 als de aanval langer dan een paar minuten duurt.
  • Zoek ook medische hulp na een eerste aanval of als de patiënt zich verwond heeft.
  • Kijk eventueel na of de patiënt een kaartje of briefje op zak heeft waarin staat wat u bij een aanval moet doen, welke medicatie nodig is en in welk ziekenhuis zij/hij wordt behandeld.
Deze informatie werd laatst aangepast op woensdag 23 maart 2016 - 17:03
Auteur(s): Team