Als voorzitter van de raad van bestuur van de UIA en later afgevaardigd bestuurder van het UZA is Paul Van Remoortere 25 jaar lang heel nauw betrokken geweest bij het reilen en zeilen van het ziekenhuis. ‘De sterke punten van het UZA? Dat het ondanks zijn formaat toch nog overzichtelijk is, én de ideale ligging heeft’, vindt Van Remoortere.
Toen Paul Van Remoortere in 1976 voorzitter werd van de raad van bestuur van de UIA, werd hij als dusdanig ook voorzitter van het beheersorgaan van het UZA. In 1996 volgde hij dr. Jan Proesmans op als afgevaardigd bestuurder van het UZA, een functie die hij tot aan zijn pensioen in 2001 uitoefende.
‘Ik was er vanaf de eerstesteenlegging bij’, vertelt Van Remoortere. ‘De planning, de bouw, de aanwervingen, enzovoort: ik heb het allemaal meegemaakt. Tijdens mijn UIA-periode ging ongeveer een derde van mijn tijd naar het ziekenhuis. Vooral in de opstartfase moesten er elke dag wel beslissingen of afspraken gemaakt worden. Een gebouw met negen hectaren vloeroppervlak neerzetten en bemannen is dan ook een kolossale taak. Geen van ons had dat ooit al gedaan.’
Alleen al voor de aanwervingsexamens die aan de opening voorafgingen, passeerden een slordige 100.000 mensen. Daaronder ook heel wat artsen, van wie er vandaag een 350-tal in het UZA werken. ‘De aanwerving van de artsen begon al begin jaren '70, bij de oprichting van de UIA en de Faculteit Geneeskunde’, blikt Van Remoortere terug. ‘Er meldden zich geïnteresseerden vanuit Antwerpen, Leuven, Gent, Brussel en zelfs het buitenland. Allemaal mensen met verschillende horizonten, geneeskundige tradities en werkstijlen. Het resultaat was als het ware een vreemdelingenlegioen van artsen. Ik ben er altijd van uitgegaan dat er een generatie zou overgaan voor we echt een Antwerpse school zouden hebben. En nu zijn we zover.’
Samenwerking
Op de vraag welke volgens hem de sterke punten van het ziekenhuis zijn, moet de oud-afgevaardigd bestuurder niet lang nadenken. ‘Met zijn 600 bedden is het UZA weliswaar een groot ziekenhuis, maar het blijft overzichtelijk. Onderling overleg tussen de artsen is nog goed mogelijk, wat in nog grotere ziekenhuizen wellicht minder vanzelfsprekend is. Wel moeten we ons realiseren dat je binnen dat relatief kleine kader niet alles zelf kunt doen, en dat samenwerking met andere ziekenhuizen noodzakelijk is. Verder is ook de ligging van het UZA een pluspunt. Niet alleen vormt Antwerpen de grootste Nederlandstalige agglomeratie in Vlaanderen, we worden ook omringd door tal van uitstekende algemene ziekenhuizen. Dat creëert een ideale situatie naar opleiding toe.’
Na 25 jaar is het UZA uitgegroeid tot een ziekenhuis dat rechtstreeks en onrechtstreeks 2.700 mensen tewerkstelt en patiënten aantrekt uit Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant, Oost-Vlaanderen en Nederland. 'Het is een echt succesverhaal geworden', klinkt het trots. 'Het groeiende aantal patiënten is alleen maar mogelijk doordat de verwijzende artsen een blijvend vertrouwen in ons stellen. We hebben onze opdracht naar behoren vervuld.'
De zeldzame keren dat Van Remoortere nu nog een bezoek aan het UZA brengt, constateert hij telkens dat er ook aan de fysieke groei van het ziekenhuis nog lang geen eind is gekomen. 'Altijd weer is er een stuk bijgekomen', lacht hij. 'Toen het ziekenhuis gebouwd werd, leek het nochtans onvoorstelbaar groot. Het was niet de werf van de eeuw, maar toch de werf van het decennium. Sommigen vonden dat we aan grootheidswaanzin leden. Maar wat bleek na de opening? We hebben bij wijze van spreken vanaf de eerste dag moeten timmeren en verbouwen om de opvang van onze patiënten te blijven waarmaken.'
Jan Proesmans, algemeen directeur van 1978 tot 1997 blikt terug
‘Patiënten zijn geen nummers’
Net geen twintig jaar, van 1978 tot 1997, stond dr. Jan Proesmans als algemeen directeur aan het roer van het UZA. 'Voor mij waren een humane aanpak én een beleid met een open vizier van groot belang'.
Het UZA kreeg nog voor de eigenlijke start in 1979 een grote tragedie te verwerken. Dr. Jan Van Egmond, aangesteld als eerste algemeen directeur, overleed totaal onverwacht in het voorjaar van 1978. Omdat de opening met rasse schreden dichterbij kwam, moest er snel een opvolger gevonden worden.
'Een aantal mensen van het UZA hebben mij toen benaderd', vertelt Jan Proesmans. 'Ik was op dat moment 46 jaar, had jarenlang als internist in het Gentse gewerkt en was aan een nieuwe uitdaging toe. Toch heb ik lang getwijfeld. Een nieuw universitair ziekenhuis leiden was weliswaar een fantastisch project. Maar ik was geen arts geworden om een groot bedrijf te runnen, ik wilde vooral zelf geneeskunde bedrijven. Maar het was zo'n unieke kans dat ik uiteindelijk toch besloot mij kandidaat te stellen.
Uit 70 gegadigden kwam Proesmans als beste uit de bus, en in het najaar van 1978 werd hij officieel benoemd. In september 1979 deden de eerste patiënten hun intrede. Het UZA begon alvast niet onvoorbereid aan zijn taak. 'Naar Amerikaans voorbeeld hadden we vooraf een dry run', vertelt Proesmans. 'Ik speelde simulatiepatiënt. Bedoeling was dat ik zoveel mogelijk diensten en afdelingen zou doorlopen om mogelijke mankementen aan het licht te brengen. We hadden een bladzijdenlang scenario uitgeschreven. Ik passeerde langs de balie, onderging allerlei onderzoeken en belandde op intensieve zorgen. Op het eind kwam ik zelfs in het mortuarium terecht.'
Humane aanpak
Tijdens de jaren die volgden legde Proesmans sterk de nadruk op het humane karakter van de zorg. Hij stond erop dat patiënten niet als nummers maar op een menselijke en respectvolle manier werden behandeld. 'Voor mij kon het niet dat een patiënt werd aangeduid als die van kamer zoveel. Maar ook een aanspreking als vaderke of moederke kon ik niet horen. Ook in een ziekenhuis is iemand meneer of mevrouw.' Die humane aanpak moest ook uit de onthaalbrochure en later de UZA-krant (vandaag magUZA, nvdr) spreken. 'Daarin kwam niet alleen het werk van de artsen en professoren aan bod, maar was er ook aandacht voor de verpleegkundigen, de administratieve krachten, de technici, de schoonmaakploeg … . Voor de patiënt is het hele team belangrijk.'
Proesmans was ook sterk begaan met de uitbouw van een goede patiëntenbegeleiding. Hij ging in tegen de stroom door te blijven vechten voor een aparte dienst Patiëntenbegeleiding, en dit terwijl zowat alle diensthoofden voorstander waren van een eigen maatschappelijk werker per dienst. Ook de vrijwilligerswerking vond hij heel belangrijk. 'De tijd van de dames de bienfaisance die hier en daar bijsprongen op de verpleegafdeling, was voorbij. In het UZA krijgen de vrijwilligers een echte opleiding en een welomlijnde taak die los staat van het werk van de verpleegkundigen. Het is één van de beste vrijwilligersorganisaties van het land', klinkt het trots.
Geen geheimen
Verder hechtte Proesmans veel belang aan wat hij noemt een beleid met open vizier. 'Vanaf het begin werd een directiecomité met een zevental leden uitgebouwd. Alle beslissingen werden gezamenlijk genomen, er waren geen geheimen. Ook met de medische raad en de diensthoofden was er voortdurend overleg. Zaken als een belangrijke aankoop of de aanstelling van een nieuwe verantwoordelijke werden altijd besproken met de betrokken diensten. Ik heb nooit een ivoren-torensysteem gehanteerd.'
De moeilijkste periode die Proesmans in al die jaren meemaakte was die van de witte woede eind jaren '80. 'Ik ben vrij stressbestendig, maar toen stond ik heel zwaar onder druk', herinnert hij zich. 'Als er vier mensen dringend geopereerd moeten worden, en je hebt door stakingsacties maar genoeg personeel in huis voor twee operaties, dan is dat heel erg. Op een bepaald moment werd zelfs de ingang van het ziekenhuis geblokkeerd. Ik had daar vooraf lucht van gekregen en heb toen in mijn bureau overnacht. Ik zie me nog 's nachts op mijn pantoffels door de gangen van het ziekenhuis lopen. Die periode heeft weken geduurd.'
Proesmans is directeur gebleven tot zijn 65e. 'Tot het allerlaatste moment heb ik gewoon mijn werk gedaan zonder me ooit af te vragen of het nog wel zin had. In het directiecomité van die laatste dag moesten mijn collega's mij eraan herinneren dat er nog een afscheidsreceptie gepland was. Nee, ik had toen gerust tot mijn zeventigste willen doorwerken. Maar vandaag ben ik blij dat ik op die leeftijd gestopt ben. Ik heb veel hobby's waarin ik mij helemaal kan uitleven. Een mens moet dankbaar genieten van elk jaar dat hem gegeven is.'
Henri Vandevelde, eerste personeelsdirecteur
‘Sollicitanten reden verloren in de mist’
Wie vandaag door het altijd van drukte gonzende UZA wandelt, kan zich nauwelijks voorstellen dat het ziekenhuis ooit begonnen is met een handvol personeel. Henri Vandevelde, eerste personeelsdirecteur van het UZA, ziet het nog wel helemaal voor zich: het eerste chaotische wervingsexamen, de zoektocht naar verpleegkundigen, de oprichting van het directiecomité... . Een terugblik.
Henri Vandevelde startte als personeelsdirecteur van het UZA op 1 oktober 1978, toen het ziekenhuis nog niet meer was dan een ruwbouw en het kleine groepje mensen dat al was aangenomen, voorlopig onderdak kreeg in de UIA.
'Behalve mezelf waren er nog vier andere directeurs die respectievelijk waren aangesteld voor administratie en financiën, aankoop en hoteldiensten, techniek en verpleging. Kort daarna voegde algemeen directeur dr. Jan Proesmans zich bij ons. Op Proesmans en de directeur verpleging na had niemand ervaring met ziekenhuizen. Dat vond ik eigenlijk een voordeel. We hebben alles zelf van nul opgebouwd, weliswaar met de ondersteuning en het vertrouwen van de UIA-top', vertelt Vandevelde.
Al snel werd er gestart met het uitschrijven van examens voor het bijkomende personeel. 'De eerste keer organiseerden we een examensessie voor zeven functies tegelijk. Tot onze verbijstering kwamen daar 600 kandidaten op af. Het was een complete chaos. Ik herinner me dat iemand boven op een tafel is gaan staan om richtlijnen te geven. Vanaf toen hebben we ons beperkt tot een maximum van drie functies per examensessie', zegt Vandevelde.
Mistig
De oud-personeelsdirecteur herinnert zich ook nog een examendag dat het zo mistig was dat de kandidaten massaal verloren reden op de wegen en paadjes van het UIA-terrein. 'Het zicht was zo slecht dat je de paaltjes niet zag en sommigen op de wandelpaadjes geblokkeerd raakten. Overal zag je mistlampen in alle mogelijke richtingen schijnen. Dat was zo'n vreemd gezicht. We zijn twee uur later moeten starten.'
Maar niet alle functies waren zo populair. Toen de toenmalige dienst pathologische anatomie op zoek ging naar een autopsie-assistent, kwamen daar welgeteld vier gegadigden op af. Eentje pakte al meteen zijn biezen omdat hij begrepen had dat hij voor een vacature van boekhouder kwam solliciteren. 'De professor heeft de overblijvende drie gewoon meegenomen naar een autopsie, en degene die het langst bleef staan, is aangeworven', lacht Vandevelde. Ook verpleegkundigen waren in die tijd niet gemakkelijk te vinden. Dicht bij huis waren er niet genoeg kandidaten. 'We hebben bij wijze van spreken heel Limburg afgeschuimd om verpleegkundigen te vinden. Ja, in de beginperiode hoorde je veel Limburgs praten in de gangen', aldus Vandevelde.
Deeltijds werken
Het UZA kon een aantal troeven voorleggen. Het werkte bijvoorbeeld niet met gebroken dagdiensten, het toen nog gebruikelijke systeem waarbij de verpleegkundigen een middagstop van twee of drie uur hadden. Ook van deeltijds werken werd vanaf het begin geen probleem gemaakt. En verder speelde de kwakkelende economie in die tijd het ziekenhuis in de kaart. 'Hoewel wij onze werknemers geen vaste functie konden beloven, verkozen velen een minder betaalde job bij ons dan een onzekere plaats in de privé. Een universitair ziekenhuis, dat wekte een veilige indruk', herinnert Vandevelde zich.
Vandevelde gaat er nochtans prat op dat hij het UZA altijd als een bedrijf beschouwd heeft. 'Weliswaar een bedrijf met een delicaat product, maar toch een bedrijf. Wij omringden de patiënt met de beste zorgen, en hij moest daarvoor betalen. Op het eind van de rit moet je eindigen met een positief saldo. Wij zijn nooit vertrokken met het idee dat de staat eventuele schulden wel zou dekken, en dat heeft mee ons succes bevorderd. Naar voorbeeld van de grote bedrijven in de privésector werd er al in 1978 een directiecomité opgericht. Dat moest de informatiedoorstroming binnen het ziekenhuis en het nemen van beslissingen versnellen.'
Voor Vandevelde kwam er in 1989 een einde aan de UZA-periode. Hij ging toen met pensioen en verhuisde prompt naar de Spaanse Costa Brava. 'Vanwaar die beslissing? Het maakte het gemakkelijker om de banden te verbreken. Vanuit mijn huis in Edegem zag ik het ziekenhuis zelfs staan ... . Hier zit ik op een afstand van 1.450 kilometer. In België zou ik me een gepensioneerde gevoeld hebben, in de Costa Brava ben ik een toerist.' Toch denkt Vandevelde met warme gevoelens aan zijn tijd in het UZA terug. 'De kans krijgen om iets volledig vanaf het begin uit de grond te stampen, dat is gewoon prachtig. Die elf jaar in het UZA waren de mooiste uit mijn loopbaan.'
Luc Thibo, administratief medewerker Forensisch DNA-laboratorium
‘Als je iemand nodig had, riep je gewoon zijn naam’
'Ik werk in het UZA sinds 1 april 1979. Mijn personeelsnummer is negen, wat betekent dat ik echt als één van de allereersten werd aangenomen. Voor de officiële opening in september 1979 hebben we nog even op de UIA gewerkt, maar we zijn al gauw naar het UZA zelf verhuisd. Alle documenten werden in karretjes gestopt en van het ene gebouw naar het andere gebracht. Het terrein was zo'n slijkpoel dat je er zonder laarzen bijna niet door kon. En ook het UZA was toen nog een echte werf. In het begin zat ik samen met de aankoopdienst, de personeelsdienst en de boekhouding in één grote ruimte. We waren toen maar met een man of tien. Dat was eigenlijk heel plezierig. Als je iemand nodig had, riep je gewoon zijn of haar naam, en dan kwam er altijd wel antwoord vanachter een van de tussenschotten.'
'Meer dan vijftien jaar ben ik secretaris van algemeen directeur Jan Proesmans geweest, nadien heb ik diezelfde functie vervuld onder afgevaardigd bestuurder Paul Van Remoortere. Vandaag ben ik administratief medewerker van het DNA-laboratorium. Mijlpalen in die 25 jaar waren voor mij zeker de opendeurdagen in mei 1979, de intrede van de eerste patiënten in september van dat jaar, het bezoek van koningin Fabiola in 1983 en de naamsverandering van academisch ziekenhuis naar universitair ziekenhuis in 1985. Latere hoogtepunten waren de activiteiten rond het tien-, vijftien- en twintigjarige bestaan, de geslaagde millenniumovergang en het bezoek van prins Filip en prinses Mathilde in 2000.'
Prof. dr. Leo Bossaert, voormalig diensthoofd intensieve zorgen
‘Nauwe samenwerking leidt tot familiale sfeer’
'Toen ik in 1979 begon als diensthoofd intensieve zorgen, was er ruimte voor 24 bedden. Maar in het begin was er maar een eenheid van zes bedden in gebruik. De andere eenheden hebben die eerste jaren tal van functies vervuld, van kapel tot magazijn. In de beginjaren was alles veel minder georganiseerd dan nu. Zo stond het materiaalbeheer nog niet op punt. We trokken gewoon met een grote boodschappenkar naar het magazijn en kozen er uit wat we nodig hadden.'
'Stilaan zijn ook de andere eenheden in gebruik genomen. Vandaag telt onze dienst 39 bedden, en in de toekomst willen we nog verder uitbreiden, mogelijk tot 54 bedden. In de loop der jaren hebben we vanuit intensieve zorgen verschillende andere projecten opgestart, zoals de dienst neonatologie, de dagkliniek, de medische registratie en de thuisbeademing. Op een dienst als de onze wordt er heel nauw samengewerkt, zodat er een echte familiale sfeer ontstond tussen artsen, verpleegkundigen, kinesitherapeuten, technici, verpleeghulpen en secretaressen.'
'Wel word je regelmatig geconfronteerd met overlijdens. Persoonlijk had ik het vooral moeilijk als een kindje of een jonge volwassene stierf. Als ik op zo'n avond thuiskwam, zag mijn echtgenote meteen wat er mis was. Maar er zijn gelukkig ook veel verhalen die positief aflopen. Sommige vergeet je nooit. Ik denk bijvoorbeeld aan een kind dat geboren werd met een afwijking in het ademhalingssysteem, en dat hier jaren gelegen heeft. Dat meisje is er helemaal bovenop gekomen en heeft onlangs een groot tuinfeest gegeven voor haar 21e verjaardag.'
Geert Roef, medewerker financiële dienst
‘Diskettes zo groot als borden’
‘Ik ben in het UZA begonnen op 1 december 1979, een drietal maanden nadat de eerste patiënten werden opgenomen. Die eerste maanden vielen niet echt mee. Het werk was eentonig, ik moest bijvoorbeeld fichekes versteken van het ene vakje naar het andere. Van snelle computers was er natuurlijk nog geen sprake. Het invoeren van gegevens gebeurde toen nog op diskettes zo groot als borden, dat herinner ik me nog.
Na een paar maanden is het tij gelukkig gekeerd en voelde ik me wel goed in mijn job. Ik leerde mijn collega’s beter kennen en kreeg na verloop van tijd ook interessantere uitdagingen. Door de jaren heen heb ik verschillende zaken van nul mee mogen oprichten. Ik ben mijn job altijd graag blijven doen omdat er altijd wel iets nieuws te ontdekken valt. En omdat ik heel fijne collega’s heb.’
William Balliauw, voormalig ombudsman
‘Verpleegkundige aanpak uitzonderlijk voor die tijd’
'Een paar weken voor de opening ben ik in het UZA gestart als hoofdverpleegkundige. De toenmalige directeur verpleging koos resoluut voor integrerende verpleegkunde, wat betekent dat elke verpleegkundige de totaalzorg van een aantal patiënten op zich neemt. In die tijd was dat nog heel uitzonderlijk. De meeste ziekenhuizen werkten met een meer taakgebonden systeem, waarbij een verpleegkundige bijvoorbeeld bloed prikte of verbanden aanlegde bij alle patiënten van de eenheid.'
'De hoofdverpleegkundigen moesten destijds als eersten met het nieuwe systeem vertrouwd raken. Wij werden als het ware in een integrerend verpleegkundebad gedompeld. De nieuwe aanpak kon niet bij alle artsen en directieleden op evenveel steun rekenen. Maar gaandeweg en na wat aanpassingen in het systeem kon iedereen er zich in vinden. Zelf ben ik hoofdverpleegkundige en later verpleegkundig afdelingshoofd geweest van verschillende afdelingen. Een tijdje was ik in die functie ook verantwoordelijk voor het materiaalbeheer binnen de directie verpleging. Momenteel ben ik ombudsman. Daarnaast vervul ik nog altijd een aantal taken binnen de dienst die vandaag directie patiëntenzorg genoemd.'
'Wat de eerste jaren in het UZA zo apart maakte, was dat we alles nog moesten opbouwen. Niet alleen de mensen, het meubilair en de apparatuur waren nieuw, ook de UZA-mentaliteit moest nog gecreëerd worden. Dat ik dat mee heb kunnen en mogen realiseren, heeft mijn loopbaan een aparte dimensie gegeven.'
Het UZA-personeel in cijfers
- Het aantal artsen is in 25 jaar vertienvoudigd (van 31 naar bijna 310), het aantal administratieve medewerkers bijna verzesvoudigd (van 57 naar ongeveer 322) en het aantal verpleegkundigen meer dan verzesvoudigd (van 136 naar bijna 857). Het gaat om voltijdse equivalenten, wat betekent dat het werkelijke aantal mensen een stuk hoger ligt.
- Het volledige personeelsbestand in 1979 telde 302 voltijdse equivalenten, vandaag ongeveer 1.776 voltijdse equivalenten.
- De verhouding van het aantal mannelijke tot het aantal vrouwelijke personeelsleden is in 25 jaar niet fundamenteel veranderd. In 1979 waren 68 procent van de werknemers vrouwen, vandaag 72 procent.
- De gemiddelde leeftijd van het personeel is met de jaren fiks gestegen. In 1979 was een verpleegkundige gemiddeld 27 jaar, vandaag 38 jaar.
- 50 procent van het UZA-personeel werkt deeltijds.