Een periode van keihard werken en veel uren kloppen, maar toch een heel plezierige tijd.’ Zo omschrijft Theo Van Hoye, voormalig directeur facilitaire diensten van het UZA, de prille beginjaren van het ziekenhuis. In drie jaar tijd een universitair ziekenhuis uit de grond stampen en het vervolgens in enkele jaren rendabel maken: het was een uitdaging om u tegen te zeggen.
Na heel wat gepalaver en politiek getouwtrek was het in 1975 dan eindelijk zo ver: de bouw van het universitair ziekenhuis kon beginnen. Op de plaats waar jarenlang tomaten en sla hadden opgeschoten, werd een grote werfkeet neergepoot en gigantische putten uitgegraven.
Theo Van Hoye werkte in die tijd aan de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) als verantwoordelijke voor de fysische planning. Daardoor was hij ook nauw betrokken bij de uitbouw van de campus. ‘Het hele constructieproces van het ziekenhuis werd begeleid door een directieve werkgroep, met daarin mensen van de UIA en ambtenaren van Openbare Werken en Volksgezondheid, aangevuld met afgevaardigden van het studiebureau Sobemap en het architectenbureau Storme Van Ranst. Het was een hechte groep, van wie de meesten vandaag met pensioen zijn’, blikt Van Hoye terug. De ploeg kwam heel regelmatig samen in de werfkeet. Vergaderingen die tot ‘s nachts uitliepen waren geen uitzondering. Snel doorwerken was de boodschap. ‘Naast de directieve werkgroep functioneerde vanaf het eerste uur een heel goede groep medewerkers. Een aantal van die mensen mensen hebben bij wijze van spreken in de werfkeet geleefd. Er is zelfs een huwelijk uit voortgevloeid’, lacht Van Hoye.
Résidence palace
De tekenaars van het architectenbureau Storme Van Ranst waren letterlijk dag en nacht ter plaatse om de plannen uit te tekenen. Er stond ook een kleine cementfabriek op het terrein die 24 uur op 24 draaide. ‘Projectingenieur Johan De Laere heeft bij mijn weten drie jaar lang geen vakantie genomen. Die is meteen na de opening van het ziekenhuis drie maanden naar Zuid-Afrika getrokken om zijn schade in te halen.’
Zelf hield Van Hoye zich voornamelijk bezig met de aankoopdossiers van de medische en niet-medische uitrusting. Twee tot drie keer per week reed hij naar Brussel - onder meer naar de résidence palace, zoals het gebouw waarin Openbare Werken toen huisde genoemd werd - om de aanbestedingsdossiers zo snel mogelijk goedgekeurd te krijgen.
De bouw verliep zonder al te grote problemen. Alleen de constructie van de kelder was een lastige klus. Doordat het terrein zo vochtig was, bleek het uiterst moeilijk om een kelder te bouwen zonder dat er water binnensijpelde. Even werd zelfs overwogen om het ziekenhuisgebouw op paalfunderingen te zetten. Uiteindelijk werden de fundamenten als het ware als een grote betonnen boot gebouwd, met een massale betonnen vloerplaat en een volledig waterdichte kuip. ‘De omgeving was nu eenmaal enorm vochtig. Ik zie ons daar nog elke dag toekomen met onze laarzen. Het was daar zo’n slijkboel dat je die maar beter in je auto had liggen. En dan moest je nog oppassen dat je niet vastreed op het terrein.’ Ook de inkleding van het ziekenhuis in het groen bleek een hele opgave.
Tegenslag
Het ziekenhuis werd in twee fasen gebouwd. Tegen 1979 waren het medisch technisch blok en een goede 300 bedden klaar, een tweetal jaar later volgden nog een 300 bedden. Een dik jaar voor de opening begonnen de aanwervingen. De directie en het secretariaat moesten immers al voor de start operatief zijn. Er werd gezocht naar een algemeen directeur, een directeur verpleging, een financieel directeur, een personeelsdirecteur en een directeur hotel en economische diensten. Van Hoye solliciteerde met succes voor die laatste functie en verhuisde van de UIA naar het UZA. De functie van medisch directeur werd van bij het begin waargenomen door prof. dr. Jef Bekaert, die als lid van de directieve werkgroep mee aan de wieg van het ziekenhuis stond.
‘We hebben toen een zware tegenslag moeten verwerken. Onze eerste algemeen directeur, Jan Van Egmond, is onverwacht en veel te jong overleden. Hij was een briljant man, een geneesheer-specialist met een bijkomende opleiding in de medische informatica. Ik heb hem welgeteld twee keer ontmoet, toen is hij een seminarie gaan volgen in de Verenigde Staten en nooit meer teruggekeerd. Na een week kregen we een onduidelijk bericht dat er iets was gebeurd. Uiteindelijk bleek dat hij daar gestorven te zijn aan een beroerte. Dat was een hele klap, hij was nog maar een eind in de 30.’
Traiteur
Door dat plotse overlijden kwam het UZA nog voor zijn opening zonder algemeen directeur te zitten. Pas na enkele maanden, toen het ziekenhuis al goed en wel in de startblokken stond, werd de functie van algemeen directeur ingevuld door dr. Jan Proesmans.
'Uit die tijd herinner ik me nog een kleine anekdote. Toen Proesmans aangesteld was, wilden we hem uiteraard op een gepaste manier ontvangen. Zodra bekend was op welke dag hij zou arriveren, hebben we een traiteur besteld. Maar doordat die dag op een bepaald moment nog veranderde en er één en ander misliep met het doorgeven van de juiste datum, dreigden we op het laatste nippertje helemaal geen receptie te hebben. Er ontstond een halvelingse paniek en ik heb toen nog snel een telefoontje gedaan naar een traiteur uit de buurt. Het is allemaal dik in orde gekomen: uiteindelijk stonden er niet één maar twee traiteurs voor onze neus … . We hadden die dag geen gebrek aan champagne en broodjes.'
Born Bunge Instituut
Het ziekenhuis opende zijn deuren in september 1979, drie jaar na de officiële eerstesteenlegging van 13 september 1976. Het was een prestatie die sindsdien nog zelden in België is vertoond. 'Gelukkig zijn we niet helemaal van nul moeten starten. We konden het Born Bunge Instituut overnemen, dat bestond uit een onderzoeksinstituut en een kleiner ziekenhuis dat destijds in Berchem gevestigd was. Het was tot in het buitenland bekend om zijn neurochirurgie en behandeling van neus-keel-ooraandoeningen. Zodoende hadden we al meteen een 160-tal personeelsleden én enkele patiënten.'
In september 1979 werd het Born Bunge Instituut definitief gesloten en werden de laatste negen patiënten in colonne naar het UZA gereden, onder grote belangstelling van de pers. 'Het was een hele stoet, met negen ambulances voor de patiënten en nog een paar bijkomende ambulances voor het materiaal. Dat alles onder motorbegeleiding van de politie, om die ziekenwagens zo snel mogelijk door het verkeer te loodsen. Bij aankomst werden de patiënten feestelijk ontvangen in de hal, met champagne toe. Al betwijfel ik dat ze daar van gedronken hebben.'
Torenhoge kosten
Ondanks die overname was de opstartfase allesbehalve een gemakkelijke periode. Vanaf de eerste dag zat het ziekenhuis immers met torenhoge kosten, gaande van personeelskosten tot de energiefactuur en afbetalingen van apparatuur. 'En intussen hadden we nauwelijks patiënten, met andere woorden geen klanten. We zijn gestart met één afdeling van 30 bedden, en hebben dat geleidelijk uitgebreid. Maar elke bijkomende afdeling die openging, betekende in het begin een nieuwe financiële aderlating. Want je moest telkens extra personeel in dienst nemen, terwijl die afdeling natuurlijk niet meteen rendeerde. Ik herinner me dat onze toenmalige financieel directeur, Herman Van Meir, steevast met slecht nieuws naar de directievergaderingen kwam. De put werd altijd een beetje dieper.'
Het ziekenhuis gunde zichzelf vijf tot zes jaar om uit dat onvermijdelijke financiële dal te klimmen. 'De eerste jaren moest het UZA hard knokken voor zijn bestaan omdat het leed aan een belangrijk aangeboren - om in medische termen te blijven - congenitaal gebrek: de afwezigheid van werkingskapitaal. Dankzij een samenwerkingsakkoord met het Provinciebestuur van Antwerpen is er een positieve kentering gekomen. De visie achter die samenwerking was dat het UZA als derdelijnsziekenhuis aan een nood van de bevolking beantwoordde en dus gesteund moest worden. In ruil voor die financiële hulp werd de provincie gedeeltelijk eigenaar van de gebouwen. Toen ging het stilaan beter en beter en half jaren '80 draaiden we op volle toeren.’
Ondanks de lange werkdagen en de spannende momenten kijkt Van Hoye nog altijd met plezier terug op die hectische opstartfase. ‘Het was een harde maar ook plezierige tijd. De pionierstijd, zeg maar.’